Uw bezittingen en schulden kunnen in allerlei categorieën worden onderverdeeld. Zo zijn er vorderingen, aandelen in VvE’s, landbouwgronden, bank- en spaartegoeden, aandelen, obligaties, schulden met onderpand en consumptieve schulden. Toch heeft de wetgever aangegeven maar drie categorieën te willen onderscheiden: bank- en spaartegoeden, overige bezittingen en schulden. Omdat deze categorieën niet altijd goed aansluiten bij het daadwerkelijke rendement komen hier in bepaalde situaties tegemoetkomingen op. We zetten in dit artikel voor u uiteen bij welke bezittingen de wetgever wel en bij welke niet in een tegemoetkoming wil voorzien.

Wat zijn de vastgestelde forfaitaire rendementen?

Voor het jaar 2023 zijn de forfaitaire rendementen vooralsnog:

  • Bank- en spaartegoeden: 0,36%
  • Overige bezittingen: 6,17%
  • Schulden: – 2,57%.

Over het forfaitaire rendement is vervolgens een belastingtarief verschuldigd van 31% in 2023.

Welk rendement op Aandelen in VvE’s en vermogen op een derdengeldrekening bij de notaris?

Aandelen in het vermogen van een reservefonds en het vermogen op een derdengeldrekening bij een notaris zijn vermogensrechten. Strikt genomen zijn dit dus geen bank- en spaartegoeden voor de belastingplichtige zelf en staan deze tegoeden vaak bij het fonds of de notaris op een bankrekening. De wetgever acht het  onredelijk dat dit in de categorie overige bezittingen valt, waardoor zij deze – en soortgelijke – vermogensrechten alsnog wil onderbrengen in de categorie bank- en spaartegoeden. Daardoor is het fictieve rendement van 0,36% van toepassing. De verwachting is dat deze vermogensrechten met terugwerkende kracht al vanaf 2023 als bank- en spaartegoeden gaan gelden, al is daar nog wel een wetswijziging voor nodig waarmee de Tweede Kamer en Eerste Kamer mee in moeten stemmen.

Welk rendement geldt voor verpachte landbouwgronden in box 3?

Verpachte landbouwgronden vallen in de categorie overige bezittingen. Voor verpachte landbouwgronden geldt een maximale pachtprijs van 2% van de vrije verkeerswaarde, wat veel minder is dan de fictie van 6,17%. Toch is dit volgens de wetgever niet het enige rendement. Ook de waardestijging van de landbouwgrond moet in de rendementsberekening worden opgenomen. De wetgever stelt dat vanaf 2012 de waarde van de gronden met gemiddeld 64% is gestegen. Wordt hiermee rekening gehouden, dan is het rendement (indicatief) 6,5%. Om die reden wil het kabinet géén onderscheid maken voor verpachte landbouwgronden.

Tegemoetkoming in rendement op obligaties?

Obligaties zijn doorgaans minder risicovol dan aandelen, waardoor gemiddeld een lager rendement wordt genoten. Een apart forfait voor obligaties zou daarom gemiddeld beter aansluiten bij het werkelijke rendement. Een complicerende factor is dat obligaties vaak onderdeel uitmaken van een (door een bank beheerde) beleggingsportefeuille, naast onder andere aandelen en onroerend goed. Deze samenstelling wijzigt bovendien in de tijd. Dit maakt het losstaande rendement van obligaties lastig te kwantificeren, waardoor de wetgever een apart forfait onwenselijk acht. Voor obligaties komt daarom géén tegemoetkoming.

Tegemoetkoming voor onderlinge vorderingen en schulden?

Door verrekenbedingen in huwelijks- en partnerschapsvoorwaarden kunnen tussen fiscale partners onderlinge schulden en vorderingen ontstaan. Een vordering op een fiscale partner in box 3 valt in de categorie overige bezittingen tegen een forfaitair rendement van 6,17%. De corresponderende schuld van die fiscale partner valt in de categorie schulden met een fictief rendement van minus 2,57%. Hierdoor ontstaat een verschil tussen de partners van 3,6%. Gezamenlijk gezien kan dit rendement in werkelijkheid niet gerealiseerd zijn.

Dit vindt de wetgever onredelijk. Daarom wil ze onderlinge schulden en schulden tussen fiscale partners, die wanneer zij samen aangifte doen, buiten de belastingheffing brengen (defiscaliseren). Over de onderlinge vorderingen en schulden worden zij niet meer geconfronteerd met een box 3-heffing, al blijven zij verplicht om de stand(en) te blijven opnemen in hun gezamenlijke aangifte. Voor het defiscaliseren van de onderlinge vorderingen en schulden is een wetswijziging nodig, die nog door zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer moet.

Tijdig beoordelen van de aanslagen box 3 blijft belangrijk!

Ondanks deze tegemoetkomingen blijft het beoordelen van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting belangrijk. Zo kan het nog steeds zijn dat uw werkelijke behaalde rendement afwijkt van het door de Belastingdienst berekende box 3-inkomen. En soms kan een andere verdeling van het box 3-inkomen tussen u en uw partner tot een gunstiger resultaat leiden. Laat uw definitieve aanslagen daarom altijd beoordelen. Doe dit wel snel, u heeft namelijk vanaf de dagtekening van de aanslag maar zes weken om een bezwaar in te dienen.

Bij de beoordeling van aanslagen door Moore DRV kijken we naar de toegepaste partnerverdeling. Het kan ook mogelijk zijn dat uw daadwerkelijke inkomsten lager zijn dan de gehanteerde fictieve inkomsten. Omdat wij niet over de benodigde informatie beschikken, kunnen we dit niet voor u berekenen. Speelt dit bij u en bent u van mening dat het rechtsherstel onvoldoende is? Dan is het belangrijk om snel actie te ondernemen. U kunt hiertegen in verweer gaan. Neem dan in ieder geval binnen vijf weken na dagtekening van de aanslag contact met ons op. Wij adviseren u graag over de mogelijkheden en de slagingskansen.

Tip! Als zes weken te kort is om een goed gemotiveerd bezwaar in te dienen, kan ook een zogenaamd pro-forma bezwaar worden ingediend. Een dergelijk bezwaar wordt wel op tijd ingediend (dat wil zeggen binnen zes weken), maar hierin wordt om uitstel gevraagd voor de motivatie van het bezwaar.

Geschreven door:

Toon Hanemaaijer

Belastingadviseur