Stichtingen zijn alleen vennootschapsbelasting verschuldigd wanneer zij een onderneming drijven. Maar wanneer is sprake van een onderneming? En hoe zit het met stichtingen die subsidies ontvangen? De Belastingdienst heeft in augustus 2023 een nieuw besluit gepubliceerd over de belastingplicht van stichtingen en verenigingen. Dit besluit geeft meer duidelijkheid en richtlijnen over de criteria en de berekening van de vennootschapsbelasting voor deze organisaties. Dit is vooral relevant voor stichtingen en verenigingen die niet onder een vrijstelling vallen. In dit artikel vindt u een overzicht van de belangrijkste punten uit het nieuwe besluit en leest u wat de nieuwe beleidsopvattingen zijn.
Wanneer is er sprake van een onderneming?
De Belastingdienst spreekt pas van een onderneming als de volgende zaken aan de orde zijn:
- Een duurzame organisatie van kapitaal en arbeid.
- Er wordt deelgenomen aan het economische verkeer.
- Het oogmerk is om winst te behalen.
Is er sprake van een winststreven? Dan wordt voldaan aan het oogmerk om winst te behalen. Uit de rechtspraak volgt dat bij het stelselmatig behalen van overschotten er al sprake is van een winststreven.
Gesubsidieerde stichting én een onderneming?
Neemt een gesubsidieerde stichting met één of meer activiteiten deel aan het economische verkeer en beoogt het winst te behalen? Dan kan een gesubsidieerde stichting ook een onderneming zijn. Het maakt niet uit of de stichting afhankelijk is van subsidies of niet. De vraag die bij gesubsidieerde stichtingen daarom vaak speelt is: ‘Betekenen de exploitatieoverschotten die de stichting haalt dat voldaan wordt aan een winststreven?’ Als een stichting verschillende activiteiten uitoefent, moet deze vraag overigens vaak per activiteit beantwoord worden. Zo leidt bijvoorbeeld de ene activiteit tot vennootschapsbelastingplicht, terwijl de andere activiteit buiten de vennootschapsbelasting valt.
Hoofdregel: exploitatieoverschot is winststreven
De Belastingdienst stelt dat exploitatieoverschotten ook bij gesubsidieerde stichtingen in principe betekenen dat er sprake is van een winststreven (en daarmee dus vennootschapsbelastingplicht). Om het winststreven te bepalen worden de feitelijke omstandigheden in aanmerking genomen. Denk bijvoorbeeld aan:
- De hoogte van de vergoedingen.
- De bestemming van de eventuele winst.
- De marktomstandigheden.
- De concurrentiepositie van de instelling.
Uitzondering: wanneer is exploitatieoverschot géén winststreven?
In de volgende situatie is volgens de Belastingdienst echter geen sprake van een winststreven:
- De stichting verricht uitsluitend activiteiten die volledig gefinancierd zijn met subsidies.
- De behaalde overschotten worden volgens de statuten of subsidieregels gebruikt voor subsidiedoeleinden óf worden terugbetaald aan de subsidieverstrekker.
- De stichting leeft de statuten en subsidieregels na.
- Daarnaast is goedgekeurd dat het ontvangen van eigen bijdragen van degene voor wie de gesubsidieerde activiteiten worden verricht onder voorwaarden niet leidt tot een winststreven.
- Eenzelfde goedkeuring is gegeven voor het ontvangen van eigen bijdragen en/of vergoedingen op contractbasis voor het verrichten van subsidiabele activiteiten.
Let op! De vraag of er sprake is van vennootschapsbelastingplicht en zo ja voor welke activiteiten, is niet eenvoudig te beantwoorden. Het beleid van de Belastingdienst over het winststreven van gesubsidieerde instellingen is in augustus 2023 verduidelijkt, aangescherpt en op een onderdeel ook verruimd. Overleg met onze adviseurs wat dit betekent voor uw situatie.
Tip! Voor stichtingen en verenigingen is het van groot belang om periodiek te (laten) beoordelen of ze al dan niet belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting.