Op 18 juli 2025 heeft de Hoge Raad twee arresten gewezen over de inhoudingsvrijstelling en de antimisbruikregeling in het kader van de dividendbelasting. De vraag was of twee Belgische vennootschappen recht hadden op de inhoudingsvrijstelling bij het ontvangen van dividend van een Nederlandse vennootschap, of dat de antimisbruikregeling dit verhindert. De uitspraken geven meer duidelijkheid over hoe de antimisbruikregeling moet worden toegepast binnen holdingstructuren bij de uitkering van dividend aan een buitenlandse aandeelhouder. In dit artikel leest u wat de uitspraken voor u als ondernemer betekenen.
Wanneer geldt de inhoudingsvrijstelling voor de dividendbelasting?
Een vennootschap die dividend uitkeert, moet in principe dividendbelasting inhouden. In bepaalde situaties geldt de inhoudingsvrijstelling. Deze vrijstelling is van toepassing als er aan onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
- De ontvangende moedermaatschappij is gevestigd in een EU- of EER-land, of in een land waarmee Nederland een belastingverdrag heeft dat een dividendregeling bevat.
- De moedermaatschappij is de uiteindelijke gerechtigde tot het dividend.
- De moedermaatschappij heeft een belang waarop de deelnemingsvrijstelling of -verrekening van toepassing zou zijn als zij in Nederland gevestigd was.
- De moedermaatschappij fungeert niet als vrijgestelde of fiscale beleggingsinstelling.
- Er is geen sprake van misbruik van de structuur.
Wat is de antimisbruikregeling?
Misbruik is aan de orde als een kunstmatige structuur zonder economische realiteit is opgezet om dividendbelasting te ontwijken. Er is dus sprake van misbruik als deze twee punten van toepassing:
- De structuur (mede) is opgezet met het doel een belastingvoordeel te verkrijgen (subjectieve voorwaarde).
- Deze structuur kunstmatig is en geen zakelijke motieven heeft (objectieve voorwaarde).
Op 25 april 2025 gaf de Hoge Raad voor het eerst duidelijkheid over de toepassing van de antimisbruikregeling bij technisch aanmerkelijk belang. In de arresten van 18 juli 2025 wordt verder uitgewerkt hoe de regeling moet worden toegepast binnen holdingstructuren bij de uitkering van dividend aan een buitenlandse aandeelhouder.
Het geschil
Het ging in deze samenhangende procedures over twee in België gevestigde vennootschappen waarvan de aandeelhouders in België wonende families zijn. Deze vennootschappen hielden beide een belang in een Nederlandse tussenhoudstermaatschappij (een in Nederland gevestigde ‘feeder vennootschap’ die investeerde in een Nederlands private-equity fonds) dat in 2018 dividend uitkeerde. Ter discussie stond of de inhoudingsvrijstelling van de Nederlandse dividendbelasting kon worden toegepast op het dividend dat de Nederlandse tussenhoudstermaatschappij had uitgekeerd aan de twee Belgische vennootschappen.
Zaak 1: passieve vennootschap zonder activiteiten
De eerste Belgische vennootschap bezat enkel aandelen in de Nederlandse vennootschap en twee oldtimers. De vennootschap had geen kantoor, geen personeel en verrichte geen eigen economische activiteiten. De rechtbank en het hof oordeelden dat de structuur kunstmatig was en werd als misbruik aangemerkt. De inhoudingsvrijstelling werd daarom geweigerd.
Zaak 2: actieve vennootschap, maar zonder voldoende onderbouwing
De tweede vennootschap had een materiële onderneming en hield zich actief bezig met het beheer van andere deelnemingen. Toch wees het hof de vrijstelling af. Zonder deze vennootschap en haar holdings zou het dividend rechtstreeks aan de Belgische natuurlijke personen zijn uitgekeerd, waarvoor wél Nederlandse dividendbelasting verschuldigd zou zijn geweest. Daarnaast had de vennootschap onvoldoende substance: ook hier ontbraken eigen personeel, eigen kantoorruimte en betrokkenheid bij de feeder. De inhoudingsvrijstelling werd daarom niet toegepast.
Wat Oordeelt de Hoge Raad?
De Hoge Raad bevestigde in beide zaken dat de inhoudingsvrijstelling niet van toepassing is op het uitgekeerde dividend. Het toetsingskader uit het arrest van 25 april 2025 is hierin leidend. Dit toetsingskader sluit ook aan bij de arresten van het Hof van Justitie van de EU: misbruik is aan de orde als een structuur primair is opgezet om een belastingvoordeel te behalen (subjectieve voorwaarde) én kunstmatig is, dus zonder zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen (objectieve voorwaarde). De Hoge Raad voegt daaraan toe dat een oorspronkelijk zakelijke structuur later alsnog kunstmatig kan worden door gewijzigde omstandigheden.
Uitgaande van dit toetsingskader oordeelt de Hoge Raad dat het hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd om te bepalen of sprake is van misbruik. De Hoge Raad kan enkel beoordelen of er sprake is van misbruik, indien de motivering van het hof onvoldoende zou zijn. Dat is hier niet het geval. Dit betekent dat het oordeel van het hof in stand blijft.
Verder wijst de Hoge Raad op twee aanvullende beoordelingspunten:
- Een vennootschap met een materiële onderneming is niet automatisch uitgesloten van misbruik. Er moet ook gekeken worden naar de functie: actief beheer en betrokken bestuur over de deelnemingen zijn vereist.
- De mate van zeggenschap van aandeelhouders over het dividend speelt mee. In deze zaken had de Belgische familie feitelijk de beslissingsmacht over de uitkering van het dividend.
Praktische gevolgen voor toepassing inhoudingsvrijstelling
Als de aandeelhouder een materiële onderneming heeft, moet per belang worden beoordeeld of dit functioneel aan die onderneming is toe te rekenen en of er actieve betrokkenheid is bij de betreffende dochtermaatschappij. Een oorspronkelijk zakelijke structuur kan door passieve investeringen of gewijzigde omstandigheden alsnog (gedeeltelijk) kunstmatig worden. Daarnaast is het van belang of de beslissingsbevoegdheid over dividend bij de aandeelhouders van de vennootschap ligt, en niet bij de vennootschap zelf.