Het kabinet heeft op Prinsjesdag het Belastingplan 2027 gepresenteerd. Grote stelselwijzigingen blijven uit, maar de optelsom van de maatregelen is voor veel ondernemers wel voelbaar. Zo nemen verschillende fiscale voordelen voor ondernemers en werkgevers verder af. Daar staan stimuleringsmaatregelen voor innovatie, verduurzaming en herstructurering tegenover. Positief is dat de bedrijfsopvolgingsregeling en de doorschuifregeling niet verder worden versoberd. Ook zien we enkele eerder besproken maatregelen niet terug in het Belastingplan 2027, zoals aanpassingen rond schenkingen onder schuldigerkenning, familieleningen en de samenloop tussen de thuiswerkvergoeding en reiskostenvergoeding.
Wat betekenen deze plannen voor uw onderneming? Bijvoorbeeld voor investeringen, uw werknemers, het wagenpark of de bedrijfsopvolging binnen de familie. In deze top 10 zetten onze fiscalisten de belangrijkste wijzigingen uit het Belastingplan 2027 op een rij en leggen zij uit wat deze voor u betekenen.
- Minder fiscale voordelen voor ondernemers
- Meer ruimte voor reiskosten, maar versobering van de WKR
- Fossiel rijden duurder, grens youngtimerregeling naar 20 jaar
- Minder inflatiecorrectie verhoogt belastingdruk in box 1
- Uitstel box 3 zorgt voor onzekerheid
- Meer steun voor innovatie en verduurzaming
- Fiscale stimulans voor startups en scale-ups
- Hogere Aof-premie door vrijheidsbijdrage
- Overdrachtsbelasting op beleggingswoningen naar 7%
- Aftrek voor specifieke zorgkosten verdwijnt in 2028
1. Minder fiscale voordelen voor ondernemers
Vanaf 2027 versobert het kabinet verschillende fiscale voordelen voor ondernemers. De zelfstandigenaftrek en startersaftrek dalen. Ook de stakingsaftrek en meewerkaftrek gaan omlaag en verdwijnen later volledig. De richting is duidelijk: het fiscale verschil tussen werknemers en zelfstandigen wordt kleiner.
De ondernemersaftrek verlaagt de winst waarover een ondernemer inkomstenbelasting betaalt. Voor verschillende onderdelen van deze aftrek geldt vanaf 2027 een verdere versobering. De zelfstandigenaftrek daalt van € 1.200 (2026) naar € 900. Daardoor stijgt de belastbare winst van ondernemers die aan het urencriterium voldoen.
Ook de startersaftrek gaat flink omlaag. Deze verhoging van de zelfstandigenaftrek voor startende ondernemers daalt per 1 januari 2027 van € 2.123 (2026) naar € 10 en wordt per 1 januari 2028 volledig afgeschaft. Ook de willekeurige afschrijving voor starters vervalt per 1 januari 2028. De startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid wordt per 1 januari 2029 afgeschaft. De huidige maximumbedragen zijn € 12.000 in het eerste jaar, € 8.000 in het tweede jaar en € 4.000 in het derde jaar. De regeling geldt voor ondernemers die niet aan het urencriterium van 1.225 uur voldoen, maar wel aan het verlaagde urencriterium van 800 uur én recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering
De stakingsaftrek daalt in één keer van maximaal € 3.630 naar € 908. De percentages van de meewerkaftrek worden in één keer verlaagd van 1,25%, 2%, 3% en 4% naar respectievelijk 0,32%, 0,5%, 0,75% en 1%. Beide regelingen verdwijnen aan het begin van het derde kalenderjaar na het jaar waarin de verlaging ingaat. Bij inwerkingtreding per 2027 vervallen de regelingen dus per 1 januari 2030.
Vooral startende ondernemers, ondernemers die binnen enkele jaren willen stoppen en ondernemers met een meewerkende partner merken de gevolgen. De keuze voor een eenmanszaak, vof of bv vraagt daardoor opnieuw om een berekening op basis van uw concrete winst en persoonlijke situatie.
Let op! Laat bij grotere veranderingen in uw winst, samenwerking of bedrijfsopvolging opnieuw berekenen welke rechtsvorm bij uw onderneming past.
Tip! Door het hogere verzamelinkomen kunnen ook toeslagen veranderen. Controleer daarom voor 2027 en 2028 tijdig uw geschatte inkomen voor de toeslagen. Maakt u gebruik van de startersaftrek bij arbeidsongeschiktheid? Controleer uw geschatte inkomen dan ook voor 2029.
2. Meer ruimte voor reiskosten, maar versobering van de WKR
Werkgevers mogen met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2026 maximaal € 0,25 per zakelijke kilometer onbelast vergoeden. Dat was € 0,23. De verhoging geldt ook voor woon-werkverkeer. Het kabinet legt de verhoging nu vast in de wet met terugwerkende kracht.
De verhoging betekent niet automatisch dat iedere werknemer recht heeft op € 0,25 per kilometer. Dat hangt af van de arbeidsovereenkomst, cao en het eigen mobiliteitsbeleid. Voor werkgevers kan een hogere vergoeding dus leiden tot hogere loonkosten.
Tegenover deze verruiming staat een versobering van de werkkostenregeling (WKR). De gerichte vrijstelling voor branche-eigen producten vervalt. Werkgevers mochten werknemers tot nu toe onbelast 20% personeelskorting geven over de waarde in het economisch verkeer geven, tot maximaal € 500 per jaar. Deze vrijstelling verdwijnt. De korting kan nog wel ten laste van de vrije ruimte worden gebracht. Overschrijdt u de vrije ruimte? Dan betaalt u over het bedrag daarboven 80% eindheffing.
De vrije ruimte over de eerste € 400.000 fiscale loonsom stijgt per 1 januari 2027 van 2% naar 2,16%. Daardoor krijgt u maximaal € 640 extra vrije ruimte per jaar. Deze verhoging is al eerder aangenomen en maakt dus geen onderdeel uit van het Belastingplan 2027.
Tip! Pas het personeelshandboek, declaratiebeleid en de salarisadministratie tijdig aan en beoordeel of een hogere kilometervergoeding financieel en arbeidsvoorwaardelijk wenselijk is. Maakt uw organisatie gebruik van personeelskorting op branche-eigen producten? Bekijk dan wat het vervallen van deze vrijstelling betekent, vooral in de detailhandel en industrie.
3. Fossiel rijden duurder, grens youngtimerregeling naar 20 jaar
Stelt u als werkgever vanaf 2027 een personenauto met uitstoot ook voor privégebruik beschikbaar aan een werknemer? Dan krijgt u te maken met een pseudo-eindheffing van 12% van de cataloguswaarde. Deze heffing komt boven op de bijtelling van de werknemer en mag u niet doorberekenen aan de werknemer. Voor auto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld, geldt overgangsrecht.
Na overleg met de sector worden vier aanpassingen voorgesteld. Zo geldt de heffing niet voor vervangend vervoer tijdens de eerste veertien kalenderdagen van onderhoud of reparatie. Ook handgeschakelde lesauto’s worden uitgezonderd. Tot 31 december 2030 geldt ook een uitzondering voor een fossiele personenauto die een werkgever maximaal één keer per kalenderjaar voor maximaal zeven aaneengesloten dagen voor privédoeleinden ter beschikking stelt. Bijvoorbeeld bij een kortdurend gehuurde auto of deelauto. Als laatste wordt het overgangsrecht voor fossiele personenauto’s die al vóór 1 januari 2027 ter beschikking zijn gesteld verlengd tot en met 31 december 2030. Naast deze aanpassingen komt er per 1 januari 2027 een zogenoemde anticumulatiebepaling die voorkomt dat deze heffing ook bij de vertrekvergoeding nogmaals belast wordt.
De youngtimerregeling wordt geleidelijker versoberd dan eerder was vastgelegd. De bijtelling blijft gebaseerd op de waarde in het economisch verkeer, maar de leeftijdsgrens stijgt in 2027 van 16 jaar naar 17 jaar en vanaf 2028 naar 20 jaar. De eerder voorziene snelle verhoging naar 25 jaar gaat daarmee niet door. Voor auto’s die uiterlijk op 31 december 2025 al ter beschikking zijn gesteld en die in 2027 17 jaar worden, geldt overgangsrecht. Deze auto’s mogen de youngtimerregeling gedurende heel 2027 blijven toepassen. Vanaf 1 januari 2028 geldt de regeling alleen nog voor auto’s ouder dan 20 jaar.
Voor werkgevers wordt de keuze voor een zakelijke auto daardoor belangrijker. De contractduur, aandrijving en het moment waarop een auto voor het eerst ter beschikking wordt gesteld, kunnen grote fiscale gevolgen hebben. Een bestaande leaseplanning kan daardoor veel duurder of juist aantrekkelijker uitpakken.
Tip! Breng vóór nieuwe leasebeslissingen de totale werkgeverskosten, werknemersbijtelling, looptijd en fiscale overgangsregels goed in kaart.
4. Minder inflatiecorrectie verhoogt belastingdruk in box 1
Box 1 belast onder meer loon, pensioen en winst uit onderneming. Normaal gesproken stijgen de grenzen van de belastingschijven en verschillende heffingskortingen mee met de inflatie. Zo blijft de belastingdruk normaal gesproken gelijk als het inkomen stijgt in lijn met de inflatie.
In 2027 en 2028 past het kabinet de inflatiecorrectie slechts gedeeltelijk toe. Zonder deze maatregel zou de inflatiecorrectie voor 2027 2,6% bedragen. Daarvan wordt 48% toegepast. Hierdoor stijgen schijfgrenzen en heffingskortingen minder mee met de inflatie.
Tegelijkertijd wijzigen de box 1-tarieven. Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd stijgt het tarief in de eerste schijf van 35,75% in 2026 naar 36,23% in 2027. Het tarief in de tweede schijf stijgt van 37,56% naar 38,16%. Het tarief in de derde schijf blijft 49,50%. De eerste schijfgrens stijgt van € 38.883 naar € 39.247. De tweede schijfgrens blijft € 78.426
Door de verhoging van de tarieven en beperkte indexering stijgt de belastingdruk in Box 1. Dit effect wordt beperkt voor woningbezitters die de hypotheekrente tegen een hoger tarief kunnen aftrekken.
Let op! Beoordeel loon, dividend en winst altijd in samenhang. De algemene heffingskorting hangt af van het verzamelinkomen en kan ook door een dividenduitkering dalen.
5. Uitstel box 3 zorgt voor onzekerheid
Box 3 belast privévermogen, zoals spaargeld, beleggingen en een tweede woning. In het huidige stelsel berekent de Belastingdienst het rendement grotendeels met forfaits. Is uw werkelijke rendement lager, dan kunt u onder voorwaarden tegenbewijs leveren.
Het kabinet heeft de behandeling van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 voorlopig uitgesteld. In de Voorjaarsnota 2027 komt het kabinet met een nieuw voorstel. Daardoor wordt de beoogde invoering per 1 januari 2028 niet gehaald of blijft deze datum op zijn minst onzeker. Het kabinet onderzoekt opnieuw of een vermogenswinstbelasting beter past dan een vermogensaanwasbelasting.
Bij een vermogensaanwasbelasting telt ook een nog niet gerealiseerde waardestijging jaarlijks mee. Bij een vermogenswinstbelasting volgt heffing pas bij verkoop. Voor ondernemers en dga’s met beleggingen, verhuurd vastgoed of andere moeilijk verkoopbare bezittingen maakt dat een groot verschil.
Zolang geen nieuw stelsel geldt, blijft een goede administratie van rente, dividend, huur, kosten en waardeveranderingen belangrijk. Deze gegevens zijn nodig voor de tegenbewijsregeling én voor de afweging tussen beleggen in privé of via een bv.
Tip! Wacht niet op het nieuwe stelsel. Leg het werkelijke rendement per vermogensbestanddeel jaarlijks vast en bewaar onderliggende documenten.