Deze Prinsjesdag hebben we te maken met een (dubbel) demissionair kabinet met een beperkte basis in de Tweede Kamer. Hierdoor blijven echt grote plannen, oplossingen en uitgaven in het Belastingplan 2026 uit. Koning Willem-Alexander benadrukte in zijn troonrede dat het zorgelijk is dat zowel mkb’ers als grote ondernemingen negatief zijn over het Nederlandse investeringsklimaat. Een geluid dat moet worden gehoord. Verlaging van de regeldruk voor bedrijven is daarbij dringend noodzakelijk. Dat zien we deels terug in de plannen van het kabinet. Zo worden er vóór medio 2026 in totaal 500 regels vereenvoudigd of geschrapt, waaronder de rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (wpm). We zien helaas ook verzwaring van de lastendruk voor werkgevers, door bijvoorbeeld de invoering van een heffing op fossiele auto’s. Wij zetten kort de tien belangrijkste fiscale voorstellen en wijzigingen op een rij voor u als ondernemer in de echte economie.
- Werkgevers gaan 12% heffing betalen op fossiele auto van de zaak
- Aanpassingen box 3: hogere rendementen, lager vrijgesteld vermogen
- Diverse wijzigingen in tarieven
- De rapportage verplichting personenmobiliteit wordt versoepeld
- Verduidelijking fietsregeling
- Overdrachtsbelasting: introductie 8% tarief in 2026
- Btw op cultuur, media en sport blijft 9%
- Regeling vervroegd uittreden vanaf 2026 structureel
- Fiscaal voordeel groene beleggingen versoberd
- Verduidelijking erf- en schenkbelasting
1. Werkgevers gaan 12% heffing betalen op fossiele auto van de zaak
Vanaf 1 januari 2027 bent u als werkgever een pseudo-eindheffing van 12% verschuldigd wanneer u een personenauto met CO₂-uitstoot ter beschikking stelt aan een werknemer voor privégebruik. Woon-werkverkeer wordt expliciet als privégebruik aangemerkt.
Het doel van deze regeling is bedoeld om de overstap naar elektrische personenauto’s te versnellen, in lijn met de klimaatdoelen voor 2030. Volledig elektrische auto’s en voertuigen die uitsluitend zakelijk worden gebruikt vallen buiten de regeling.
De heffing wordt berekend over de waarde van de auto.
Voor uw onderneming betekent dit dat u vanaf 1 januari 2027 maandelijks een pseudo-eindheffing moet berekenen. U mag echter ook wachten met de afdracht tot het tweede loonaangiftetijdvak in 2028. De heffing mag niet worden verhaald op de werknemer en een eigen bijdrage van de werknemer heeft geen invloed op de hoogte van de heffing.
Let op! Tot 17 september 2030 is geen pseudo-eindheffing verschuldigd over auto’s die voor 1 januari 2027 aan werknemers ter beschikking zijn gesteld. Na deze datum geldt de heffing voor alle fossiele personenauto’s met privégebruik.
2. Aanpassingen box 3: hogere rendementen, lager vrijgesteld vermogen
Het kabinet voert een aantal aanpassingen door in de huidige box 3 regeling als opmaat naar het nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement. De beoogde invoerdatum van het nieuwe stelsel is 1 januari 2028. Hieronder de belangrijkste punten die per 1 januari 2026 ingaan:
- Het forfaitair rendement voor overige bezittingen stijgt van 6% naar 7,78%.
- Tegelijkertijd daalt het heffingsvrije vermogen van € 57.684 naar € 51.396 per persoon, waardoor meer belastingplichtigen box 3-heffing gaan betalen. De regels voor het tegenbewijs van daadwerkelijk rendement worden aangescherpt. Dit moet belastingontwijking via obligaties met aangegroeide rente tegengaan. Aankopen na 25 augustus 2025 vallen onder strengere voorwaarden.
- De leegwaarderatio wordt beperkt: verhuur aan gelieerde partijen tegen een niet-marktconforme huur valt voortaan buiten deze regeling. Dit voorkomt belastingvoordeel door kunstmatig lage huur. Gelieerde partijen zijn partijen die zo nauw verbonden zijn dat zij onderling een huurprijs afspreken die normaal niet in de markt zou gelden.
3. Diverse wijzigingen in tarieven
Voor belastingplichtigen jonger dan de AOW-leeftijd daalt het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting licht van 35,82% (2025) naar 35,70% (2026). De tweede schijf stijgt juist licht van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026). De derde schijf blijft ongewijzigd op 49,50%. Voor belastingplichtigen ouder dan de AOW-leeftijd geldt een verlaging in de eerste schijf van 17,92% (2025) naar 17,80% (2026). De tweede schijft stijgt minimaal van 37,48% (2025) naar 37,56% (2026) en de derde schijf blijft gelijk.
Daarnaast wijzigen de schijflengtes in box 1 van de inkomstenbelasting met een beperkte indexatie. Vanaf een inkomen van € 79.137 is het hoogste tarief van 49,50% van toepassing.
Om werken aantrekkelijker te maken is de maximale arbeidskorting verhoogd van € 5.599 (2025) naar € 5.712 in (2026).
De maximale algemene heffingskorting stijgt licht van € 3.068 naar € 3.115, en de inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 2.986 naar € 3.032. Ook de ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting stijgen licht.
Tegelijkertijd daalt de zelfstandigenaftrek van € 2.470 naar € 1.200, dit sluit aan bij het beleid om fiscale voordelen voor zelfstandigen af te bouwen. Voor ondernemingen betekent dit dat de fiscale stimulans voor zelfstandig ondernemerschap verder afneemt. Werken in loondienst wordt fiscaal aantrekkelijker. De MKB-winstvrijstelling blijft gelijk op 12,70%, wat enige stabiliteit biedt.
4. De rapportage verplichting personenmobiliteit wordt versoepeld
De rapportageverplichting werkgebonden personenmobiliteit (WPM) geldt alleen nog voor ondernemingen met 250 werknemers of meer. Voorheen gold deze verplichting vanaf 100 werknemers.
Het kabinet wil de regeldruk voor ondernemers verlagen. De wijziging is onderdeel van een bredere aanpak waarbij vóór medio 2026 in totaal 500 regels worden vereenvoudigd of geschrapt.
5. Verduidelijking fietsregeling
Sinds 1 januari 2020 geldt een bijtelling van 7% (minus de eventuele eigen bijdrage van de werknemer) voor een fiets van de zaak die een werknemer ook privé gebruikt. Deze bijtelling is verplicht zodra de fiets voor woon-werkverkeer wordt gebruikt. Het kabinet stelt voor om deze regeling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aan te passen. Wordt de fiets niet of maximaal 10% bij het woon- of verblijfadres van de werknemer gestald, dan is de bijtelling nihil. Dit betekent dat er geen loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is. Zo voorkomt de regeling onbedoelde belastingheffing bij bijvoorbeeld hubfietsen of campusfietsen. Deze regeling geldt overigens ook voor IB-ondernemers.
Let op! Wordt de fiets vaker dan 10% bij het woon- of verblijfadres gestald, dan geldt de reguliere bijtelling van 7%.